Goede doorstroom praktijkonderwijs - mbo

Doorstromen van praktijkonderwijs naar mbo - Het succes van de Stedendriehoek

Van alle leerlingen van het praktijkonderwijs (pro) stroomt 40% à 45% door naar het mbo. In de Stedendriehoek rond Apeldoorn, Deventer en Zutphen ligt dat percentage een stuk hoger. En wat nog krasser is: zij halen vrijwel allemaal een diploma. Freek Hubert, adjunct-directeur Praktijkonderwijs Zutphen, en Sandra Beuwer, teammanager van de Entreeschool Aventus, leggen graag uit wat de sleutel van dat succes is.

Een Entreeschool is ‘drempelloos’: iedereen van 16 jaar of ouder die geen vmbo-diploma (of ‘hoger’) heeft kan hier een opleiding op mbo niveau-1 volgen en doorstromen naar niveau 2 voor een startkwalificatie . Het praktijkonderwijs heeft als hoofddoelstelling toeleiding naar arbeid en kent sinds vorig schooljaar een eigen diploma. Veel leerlingen willen doorstromen naar het mbo, anderen gaan meteen aan het werk.

Pro-leerlingen uit de Stedendriehoek die naar de Entreeschool willen, moeten daarvoor dan één dag in de week naar een ander schoolgebouw, maar blijven ondertussen gewoon ingeschreven bij hun school voor praktijkonderwijs, vertelt Sandra Beuwer. “Dat is het mooie van onze samenwerking! Leerlingen hebben een vangnet waar ze op terug kunnen vallen als het fout zou gaan bij ons. En omdat ze hier niet zijn ingeschreven, zijn ze ook niet kwalificatieplichtig; die verplichting – om een mbo-2-diploma te halen – zou er wel zijn als ze zich los van deze speciale samenwerking zelfstandig zouden melden. Ze zitten dus nog op hun vertrouwde nest en als ze na de Entreeschool door willen gaan voor een mbo-2-opleiding, dan verloopt die overgang veel soepeler.” Hubert voegt er nog aan toe: “Het is heel goed dat ze ergens anders naar school gaan, waar ze met een frisse blik naar zo’n jongere kijken. Ze krijgen bij Aventus bijvoorbeeld een eigen pasje, zoiets doet iets met hun autonomie!”

Het gaat ook over geld

Hoe soepel de overgang naar mbo-2 verloopt, blijkt wel uit de cijfers. Maar liefst 95% van de pro-leerlingen op de Entreeschool haalt het niveau-1-diploma, waarna meer dan de helft van hen doorstroomt naar mbo-2. Daarvan haalt 85% het diploma. Hubert: “Het feit dat ze fysiek naar Aventus gaan is een enorme succesfactor. De docenten en begeleiders van Aventus leren de jongeren kennen en ze komen met een goed afgewogen advies richting mbo-2. Dat is toch anders dan dat je leerlingen op je eigen school houdt en alleen het examen bij de mbo-school inkoopt.”

Nu koopt Hubert voor zijn school in Zutphen het hele pakket van de Entreeschool voor ruim 40 leerlingen in: “Wij redeneren zo: we krijgen ieder jaar een geldbedrag per leerling om het onderwijs aan hem of haar te verzorgen. We zien dit traject als een enorme meerwaarde en daarom gaat 20% van dat bedrag ernaartoe. Maar dat moet je wel goed afstemmen met het bestuur en de directie van je school, daar moet je dan wel hetzelfde in staan. Natuurlijk staat de leerling voorop, maar het gaat ook altijd over geld en dan moeten dit soort dingen goed geregeld zijn. Het is bij ons helemaal in het onderwijs ingebed: in leerjaar 1 vertellen we de ouders en de leerlingen al dat we deze samenwerking met de Entreeschool van Aventus hebben.”

Op vele fronten

En die samenwerking tussen praktijkschool en Entreeschool is buitengewoon hecht. Het begint op bestuurlijk niveau met het opstellen van een onderwijssamenwerkingsovereenkomst per school en een onderwijsverzorgingsovereenkomst per leerling. Op uitvoerend niveau gaat elk schooljaar van start met een voorlichtingsdag op de scholen voor praktijkonderwijs. Er wordt geïnventariseerd welke leerlingen naar de Entreeschool gaan, zodat Aventus kan plannen hoeveel groepen kunnen starten en voor welke profielen.

Beuwer legt de procedure nader uit: “Het meest gangbaar is dat leerlingen één dag in de week bij ons onderwijs volgen – een halve dag praktijk en een halve dag generieke vakken – en één dag in de week op hun eigen school. De overige drie dagen van de week lopen ze stage. Die stage voldoet aan de eisen van het mbo, en de uiteindelijke examinering vindt geheel bij ons op het mbo plaats.”

De partners houden gedurende het jaar samen de vinger aan de pols aan de hand van gemeenschappelijke ouderavonden met 10-minutengesprekken. Entreeschool en praktijkschool brengen  dan ook gezamenlijk advies uit aan ouders of het verstandig is dat de leerling doorgaat naar niveau-2.

Er is continu contact tussen docenten onderling. Dat begint elk jaar met een bijeenkomst voor alle docenten van beide partners waar ze afspraken maken over de invulling van de rest van het jaar. Via weekmails wordt iedereen van alle ontwikkelingen op de hoogte gehouden. Beuwer: “Daarnaast hebben we bij Aventus iemand voor drie dagen per week aangesteld om het contact te onderhouden met de vijf praktijk-scholen en de vier scholen voor speciaal onderwijs in de Stedendriehoek waarmee we samenwerken. Scholen in Zutphen, Deventer, Harderwijk en Rheden; de school van Freek is onze hofleverancier.”

Hubert rekent voor om hoeveel leerlingen het gaat: “Wij hebben er 260, van wie zo’n 60 in het laatste jaar. Van hen gaan er 45 naar het mbo, van wie een stuk of 5 naar de groenopleiding van Helicon – Aventus heeft die opleiding namelijk niet in huis. Dus gaan er een stuk of 40 leerlingen naar de Entreeschool van Aventus. En pas op, dan zijn het geen leerlingen meer, maar studénten – want zo noemen we ze dan, hè!”

Tijd en energie

Het belang van een centraal aanspreekpunt kan wat Hubert betreft niet genoeg onderstreept worden: “Iemand die weet heeft van hoe er samengewerkt wordt, hoe alles in elkaar zit, die alles met elkaar verbindt, die centraal mails uitstuurt met afspraken die voor iedereen gelden ... Dat is zo belangrijk! In het verleden hadden we alles bij de diverse mbo-1-sectoren apart ondergebracht en toen waren we veel kwetsbaarder omdat de ene sector het zus wilde en de andere zo. Nu is alles vanuit de Entreeschool centraal geregeld. Dat haalt een hoop onrust en druk bij de praktijkscholen weg. Het staat goed in de steigers, je hebt minder rompslomp en het scheelt heel veel tijd.”

Beuwer is al even enthousiast: “Het is ook voor ons heel fijn dat alle praktijkscholen nu op dezelfde manier werken. Toen ik net begon met de Entreeschool was er heel veel overleg met de verschillende vertegenwoordigers van de scholen nodig. Nu is dat niet meer zo en houdt iedereen  zich aan dezelfde afspraken. Mocht er een nieuwe praktijkschool bijkomen, dan kan dat alleen als die precies zo wil werken, want dit is wel een manier die tot resultaat leidt.”

Hobbels

De samenwerking is in de loop van vele jaren gegroeid, de kinderziekten zijn er inmiddels uit, maar er blijven altijd dingen die lastig zijn. Zo is het voor Sandra Beuwer ieder jaar opnieuw afwachten hoeveel groepen zij moet maken, en hoe groot die zijn: “Soms moet je met heel kleine groepjes werken, omdat we nu eenmaal alle profielen aanbieden en we dus ook een groep starten als er voor een profiel maar een handvol aanmeldingen is. Dat is niet altijd even goed te verkopen aan een docent die een groep van 25 leerlingen krijgt. Maar we bieden het aan, dus we moeten het ook uitvoeren. Als er voor een profiel maar één student is aangemeld, probeer ik die wel bij een andere groep onder te brengen. Want met ‘nee’ zeggen hebben we héél veel moeite!”

Een ander punt van voortdurende zorg en aandacht is de communicatie, zegt Hubert: “Daar moeten we echt heel scherp op blijven. Die weekmails van ons zijn een mooi middel, waar iedereen input in kwijt kan, maar Sandra en ik moeten er vaak toch achteraan om die input op te halen. Iedereen is druk-druk-druk, maar je moet toch de tijd nemen om met elkaar af te stemmen – ook de leerlingen en hun ouders moeten continu aangehaakt blijven.”

Gouden Tips

Tot slot hebben Beuwer en Hubert nog een paar Gouden Tips voor scholen die interesse hebben in dit model van samenwerking. Sandra bijt kort en krachtig het spits af: 1. Je moet het samen doen; 2. Je moet elkaar vertrouwen; en 3. Stel de leerling altijd centraal. Hubert onderschrijft ze van harte, en voegt daar nog aan toe: “Ik adviseer andere praktijkscholen om niet alles zelf te willen doen. Niet proberen de leerlingen op je eigen school te houden en ze zelf te willen diplomeren. Gun ze de volgende fase en laat het mbo leidend zijn. Zij hebben de inhoud, wij zijn ondersteunend. Stel je dienstbaar op!” En hij besluit: “Als je met dit model aan de slag wil, begin dan klein, met één profiel, en breid het geleidelijk uit. Je kunt het niet in één keer neerzetten. Wij zijn hiermee ook al vijftien jaar bezig!”

Tot slot een mooie reactie van de wethouder van Zutphen over deze samenwerking:

‘Dit zou elke gemeente moeten weten’

Annelies de Jonge is wethouder van – onder meer – onderwijs in de gemeente Zutphen. Eerder had ze ook werk en inkomen in haar portefeuille en constateerde ze dat verontrustend veel jongeren geen startkwalificatie hadden: kansloos op de arbeidsmarkt en dus aangewezen op de bijstand. De in dit artikel geschetste samenwerking tussen mbo en praktijkonderwijs in haar regio is wat haar betreft een belangrijk wapen om daarin verandering te brengen: “Ze trekken perfect samen op, weten snel te schakelen en komen met gezamenlijke oplossingen. Wat ze doen, is echt uniek – en dat is eigenlijk heel erg jammer! Want ik weet dat heel veel gemeenten met dezelfde problematiek te kampen hebben, maar dat het mbo en het pro elkaar daar niet op deze manier weten te vinden. Wat vooral zo uniek is, is dat beide partijen hun eigen kwetsbaarheid erkennen. Ze vertrouwen elkaar en ze gunnen elkaar wat. Mijn boodschap aan andere gemeenten is dan ook: laat je hierdoor inspireren, want zo kun je voor de ontwikkeling van je burgers het verschil maken!”